| Aantekeningen |
- Volgens buitenpoorterboek van Zierikzee vertrok een Joos van de Voorde Hr. Gerardszone in 1581 naar Vere.
Joos van de Voorde komt voor in het buitenpoorterboek van Brugge en ging in 21-1-1581 naar Veere.
Weeskamer Veere 12, fol. 52v, d.d. 12-4-1589: heeft een 12e deel van een Buse gekocht.
De Gentenaars hadden geweigerd hun aandeel te betalen in een geldheffing van twaalfhonderd duizend gulden, die Keizer Karel behoefde om den oorlog met Frankrijk voort te zetten. De Groote Raad van Mechelen had hun ongelijk gegeven; maar, verre van zich te onderwerpen, namen zij de wapens op en dreven de blinde roekeloosheid zoo ver, dat ze een hoofddeken, die hen tot rede wilde brengen, deden onthoofden. Spoedig volgde de straf en ze was verschrikkelijk. Den 14en Februari 1540 kwam Keizer Karel te Gent, aan het hoofd van een leger. Eerst werden de belhamels aangehouden en den 29sten April werd de stad schuldig verklaard aan de misdaad van majesteitsschennis; al hare voorrechten en kostuimen werden vernietigd; de inwoners werden veroordeeld tot het betalen van 6000 Carolusguldens 's jaars ten eeuwigen dage, onverminderd hun aandeel in 1.200.000 gulden, dat zij geweigerd hadden te betalen; zestien der aanleiders werden ter dood verwezen en onthoofd; menigvuldige anderen verbannen en hunne goederen verbe
Deze vernedering had, zoals hoger aangestipt, bloedige gevolgen. Cornelissen, na het gebod van 8 Juli 1540 te hebben medegedeeld,
«u»10)«/u»J. Cornelissen, Nederlandsche Volkshumor op stad en dorp, land en volk, II (Antwerpen, 1929), blz. 19.
«u»11)«/u»In de Vlaamsche Gids, VII, nr. 4, verscheen een opstel van Dr. V. Fris, waarin hij aantoonde dat het geen echte Gentenaars waren, die met den strop om den hals voor Keizer Karel moesten verschijnen, maar wel hage- of veldpoorters, die buiten de muren op Gents grondgebied woonden. Het waren evenwel Gentse burgers.
[p. 397]
aan iedereen verbiedende, wie het ook ware, te spreke van 'stropdragen' op straffe van 'lijvelijck' vervolgd te worden: 'dat niemandt wie hij ware, hem soude vervoorderen te schimpen ofte te gecken, ofte verwijten van het vonnis dat den keyser onlangx heeft uytgegheven up ons, aengaende de stroppe te draegen, daerdoor groote twist af soude comen, als doodtslaeghen, vechtinghen, kijvinghen ende andere saecken; soo wie d'eerste oorsaecke af ware, soude ghecorrigeert sijn in exempele van andere lijvelijck,' somt een reeks van gevallen op:
Op 11 December 1554 werd zekere Lambert Gheijsbaert, van Zout-Leeuw, om te Harelbeke Gentsche schippers voor «i»stropdragers«/i» uitgescholden te hebben, veroordeeld om te Gent 'in opene camere ghegheeselt te sijn op sijn bloot lichaem tot den bloede' en voor 12 jaar verbannen 'uytten lande ende graefschap van Vlaenderen.'
Op 16 October 1564 liep zekere Pieter Geeraerts van Emden voor een dergelijk feit deze straf op en hem werd bovendien de tong met een ijzer doorstoken.
'Bij sententie van den 16 Juny 1573, verleent bij schepenen van St. Pieters neffens Ghendt, hebben Joos van de Voorde ende sijnen broeder ghecondemneert gheweest heerlijcke amende ende beteringhe profitabel te doen, om dat sij de waeckers van Ghendt aengheseyt hadden te zijn «i»stroppendraeghers«/i»'.
Een luitenant werd den 5en Augustus 1579 op de Koornmarkt gehangen, omdat hij op de Gentenaars had geschoten en hen voor «i»stropdragers«/i» had uitgescholden.
Op 20 April 1588 ontstond voor 't zelfde scheldwoord tusschen Brugsche en Gentsche bootsknechten een gevecht, waarin tien Bruggelingen en vier Gentenaars het leven lieten.
Op 3 Oogst 1598 werd de lijnwever Pieter de Meyere om gezegd te hebben dat de ingezetenen van Gent «i»stropdragers«/i» waren, veroordeeld om, in zijn hemd en op zijn knieën, God, Heer en Wet vergiffenis te vragen en daarenboven voor drie jaar uit de stad gebannen.
|